zondag 12 februari 2012

maandag 6 februari 2012

Toepassingskaart 1 - Zelfanalyse 2

06.02.2012

1. Dit is niet heel erg veranderd sinds de vorige keer dat ik deze zelfanalyse heb gemaakt. Degenen die mij hebben gemaakt tot wie ik ben zijn ten eerste mijn ouders. Mijn ouders hebben het er altijd over dat je iedereen hetzelfde moet behandelen wat voor een kleur of achtergrond ze ook hebben. Verder ben ik opgegroeid in een witte wijk en heb ik op een witte basisschool gezeten. De mensen op deze school hebben mij ook gemaakt tot wie ik ben. Door deze mensen was ik nogal onzeker en dit heeft zeker een invloed gehad op hoe ik nu in het leven sta. Doordat ik weet hoe het voelt om je onzeker over jezelf te voelen door anderen, wil ik dit met mijn eigen gedrag bij andere mensen voorkomen.

2. Op dit moment identificeer ik mezelf het meest met mijn familie en mijn vrienden. Zij denken gelukkig over veel dingen hetzelfde als ik, wat ervoor zorgt dat ik me bij hen ook het meest prettig voel.

3. De invloed die mijn ouders op mij hebben gehad wat betreft het gelijk behandelen van iedereen ook al hebben ze een andere kleur of culturele achtergrond dan ik, is iets wat ook terug te zien zal zijn in mijn lesgeven. Ik wil alle kinderen op dezelfde manier behandelen ook al hebben ze misschien een ander kleurtje. Ten tweede is dat onzekere iets wat ook terug te zien zal zijn in mijn lesgeven. Dan niet zozeer dat ik onzeker voor de klas sta, maar dat ik me na afloop afvraag of ik iedereen wel op dezelfde manier behandeld heb en of ik iedereen zo goed mogelijk heb geholpen en dat ik daar dan onzeker over ben. Bovendien denk ik dat ik het eerder zal zien als iemand in de klas niet lekker in zijn of haar vel zit, omdat hij of zij zich onzeker voelt.

4a. Ja, ik vind van mezelf dat ik een open leefhouding heb, waarbij ik zeker andere normen en waarden respecteer. Zoals ik bij mijn vorige zelfanalyse ook heb gezegd, vind ik het alleen nog steeds lastig als mensen vanwege hun normen en waarden vinden dat moslims maar weg moeten uit Nederland, omdat Nederland vol is of dat homo’s niet met elkaar mogen trouwen om dat dan te accepteren. Ik respecteer het wel, maar voor mijn gevoel kan ik dat niet accepteren. Ik hou dit dan wel voor mezelf.
b. Na het lezen van het boek ‘van alles wat meenemen’ denk ik dat ik wel redelijk in staat ben om cultuurverschillen te overbruggen. Ik heb nu een beeld van hoe deze kinderen zijn opgevoed en hier kan ik in mijn lessen later gebruik van maken. Bovendien vind ik zelf verschillende culturen enorm interessant, dus kan ik dit ook enthousiast overbrengen.
c. Ook na dit thema Kleur denk ik dat ik nog niet echt in staat ben om leerlingen te begeleiden in hun culturele identiteitsvorming. Ik denk wel meer dan voor dit thema. Ik denk dat ik nu wel in staat ben om met de kinderen in gesprek te gaan over hun cultuur en hen hierin te begeleiden, maar daarvoor vind ik dat ik mij nog wel iets meer moet verdiepen in de verschillende culturen.

5. Ja, ik denk dat ik wel een speciale bijdrage kan leveren aan de realisering van interculturele taken van de basisschool. Ik ben zelf zoals eerder gezegd erg geïnteresseerd in andere culturen en wil hier later in mijn klas ook aandacht aan besteden. Dit zou dan mijn speciale bijdrage zijn.

6a. De uitdagingen die ik zie in de huidige maatschappij zijn niet veranderd met wat ik in mijn vorige analyse heb gezegd. Ik zie het nog steeds als een uitdaging om later in mijn klas als er verschillende culturen zijn, deze culturen samen te brengen.
b. Ook de bedreigingen zijn nog steeds niet veranderd. Mensen die bekrompen denken, zie ik echt als een bedreiging voor de huidige maatschappij. Als mensen niet naar elkaar willen luisteren en alleen maar afgaan op het uiterlijk, is iets wat naar mijn idee de huidige maatschappij kan bedreigen.

7. Na het lezen van het boek van alles wat meenemen is mijn mening hier wel redelijk over veranderd. Ik vind nog steeds dat het handig is voor de mensen die integreren om de Nederlandse taal leren, omdat dit zoveel makkelijker voor henzelf is, maar ik denk dat integratie van twee kanten moet komen. Ik denk dat er vanuit ‘onze’ kant meer aan gedaan kan worden om deze mensen te helpen met integreren. Niet door deze mensen een inburgeringcursus, maar door met elkaar in gesprek te gaan en elkaar op die manier te helpen.

8. Ik ben voornamelijk nieuwsgierig naar andere religies. Ik ben benieuwd wat er in een tempel allemaal gebeurd, waarom moslims zich reinigen voordat ze de moskee binnen gaan en of er ook een bepaald ritueel in deze reiniging zit. Ik zie het zeker niet als een bedreiging.

9. Dit is iets wat sinds mijn vorige zelfanalyse niet veranderd is. Mijn beste vriendinnetje is nog steeds half-Indisch en de kennissen en vrienden van een andere cultuur die ik heb zijn er ook nog steeds. Ik zie het nog steeds niet als mensen met een andere cultuur dan mijzelf, maar ik zie ze gewoon als mijn vrienden.

10. De gesprekken die ik dit semester ben aangegaan met kinderen met een andere culturele achtergrond hebben mij er des te meer van overtuigd dat kinderen wat voor een achtergrond ze ook hebben, kinderen blijven. Ze vinden dezelfde dingen leuk, hebben ook een hekel aan dezelfde dingen en vinden het vooral fijn om lekker te kletsen. Wat mij wel is bijgebleven, is een gesprek met een moeder. Er was een afscheidsfeest voor mij op de Jonge Wereld georganiseerd, maar daarbij werd gelijk de verjaardag van de juffen gevierd. Deze moeder dacht dat ik ook jarig was en zei: gefeliciteerd. Ik wist eerlijk gezegd niet hoe ik daarop moest reageren anders dan dank je wel zeggen. Hieruit blijkt wel dat je echt moet letten op je taalgebruik of wat je op een uitnodiging zet, zodat het ook begrijpelijk wordt voor mensen met een andere cultuur.

zondag 29 januari 2012

Toepassingskaart 8 - Nederlands als tweede taal: woordenschatdidactiek

Vooraf

Mening over het win win model:
Ik denk dat het win win model met de verschillende fasen per les een hele effectieve manier is om kinderen de woorden die ze moeten weten goed aan te leren. Ze zijn drie lessen met dezelfde woorden bezig, dus die blijven na de derde les denk ik wel hangen.
Wat me opviel is voornamelijk les drie: toepassen van het geleerde door vooral de kinderen veel te laten praten met deze woorden. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik nooit ergens heb gezien dat de kinderen NA het lezen van een tekst nog een keer met de woorden aan de slag gaan. Toch zullen ze hier naar alle waarschijnlijkheid wel het meeste van oppikken, omdat ze dan echt bezig zijn met deze woorden.
Drie lessen met dezelfde woorden bezig zijn, is denk ik wel gelijk wat mij tegenstaat aan het win win model. Hoewel het in het boek Taal een zaak van alle vakken de uitwerking van het win win model erg mooi is beschreven, denk ik toch dat er uiteindelijk te weinig tijd is om dit zo uitgebreid in je klas te doen. Bovendien vraag ik me af of het de kinderen niet gaat irriteren om telkens met dezelfde woorden bezig te zijn. Dat ze na de tweede les zoiets hebben van: ja, maar juf deze woorden kennen we allemaal al.

Tips
Ik denk niet echt dat er tips zijn die nog toegevoegd kunnen worden. De tips die er staan, zijn wat mij betreft wel voldoende.
De tip van het spiekbriefje zou ik achterwege laten. Ik zou dan namelijk alleen maar naar dat blaadje kijken en voor de klas staan en dan hopen dat ik niets vergeet. Wanneer ik dan wel wat zou vergeten, zou ik de draad van mijn verhaal kwijt zijn. Ik zou dus geen spiekbriefje bij me hebben, maar kort van tevoren nog even bekijken welke woorden je ging gebruiken en dan je les geven.

Hieronder volgt de lessenserie die ik heb ontworpen op basis van het winwinmodel.

Doelformulering

Taal-zaakvakles: Het Romeinse Rijk
Tekst: Romeinen in Nederland
Uit hoofdstuk: Brandaan thema 2 les 1
Pagina: 30 -33

De essentie (Wat moeten de kinderen leren? Noteer in kernwoorden.)
Het Romeinse Rijk:
- Wat is het?
- Wie zijn die Romeinen?

Te behandelen processen en fenomenen
Hoe de Romeinen in Nederland zijn gekomen en hoe ze zijn gebleven.

Te behandelen woorden:
Germanen, Romeinse Rijk, Romeinse limes, legerkampen, stammen, wachttorens, legioenen, villa

Doelen
Vakinhoudelijke doelen:
- De kinderen leren dat er Germaanse stammen in Nederland leefden.
- De kinderen leren dat een deel van Nederland tot aan de Rijn bezet werd door de Romeinen
- De kinderen leren dat de Romeinen de grenzen van hun rijk met wachttorens en legerkampen goed beschermden.

Taaldoelen:
- De kinderen begrijpen de woorden Germanen, Romeinse Rijk, Romeinse limes en legerkampen.
- De kinderen kunnen met begrip de tekst lezen.

____________________________________

Lesbeschrijvingsformulier

Taal-zaakvakles: Het Romeinse Rijk
Materialen:
- filmpje over het Romeinse Rijk
- veel verschillende platen: sommige platen passend bij het Romeinse Rijk, andere platen passend bij nu


Les 1: Ervaringscontext aanbrengen

Voor
Leerkrachtactiviteiten:
De leerkracht heeft een map bij d’r waar allemaal platen inzitten die de woorden representeren. Ze laat deze woorden veelvuldig horen. Vervolgens laat de leerkracht een filmpje zien over het Romeinse Rijk. De leerkracht vraagt nadat de kinderen het filmpje hebben gezien:
- Wat heb je gezien?
- Heb je weleens eerder zoiets gezien?

Leerlingactiviteiten:
- De leerlingen luisteren.
- De leerlingen overleggen met elkaar.
- De leerlingen geven antwoord op de vragen.

Tijdens
Leerkrachtactiviteiten:
De leerkracht legt de opdracht uit die de kinderen moeten doen. Ze legt een envelop op tafel met allemaal verschillende platen. De kinderen moeten de platen of onder het woord ‘Romeinse Rijk’ leggen of onder het woord ‘nu’.

Leerlingactiviteiten:
- De leerlingen luisteren.
- De leerlingen werken met elkaar samen en leggen de platen onder of het woord Romeinse Rijk of onder het woord nu.

Na
Leerkrachtactiviteiten:
De leerkracht bespreekt de opdracht samen met de kinderen na. Wanneer de kinderen de platen laten zien, zegt de leerkracht de woorden erbij. Eventueel laat de leerkracht de kinderen reageren op de woorden.

Leerlingactiviteiten:
- De kinderen kijken samen met de leerkracht de opdracht na.
- De kinderen reageren op de woorden die de leerkracht nogmaals benoemt.

___________________________________________________

Taal-zaakvakles: Het Romeinse Rijk
Materialen:
- Lesboek Brandaan blz. 30 - 33
- Werkboek Brandaan blz. 20 - 23


Les 2: Tekst behandelen

Voor
Leerkrachtactiviteiten:
Terugblikken: Samen met de kinderen blikt de leerkracht terug op waar we het de vorige keer over gehad hebben. De platen worden door de leerkracht getoond en de woorden worden benoemd.
Vooruitblikken: De leerkracht introduceert de tekst en laat de kinderen de plaatjes de titel en de kopjes bekijken.
Instrueren: De leerkracht laat de kinderen in tweetallen de tekst lezen en schrijven op wat nieuw voor hen was.

Leerlingactiviteiten:
- De leerlingen kijken en luisteren naar de leerkracht.
- De leerlingen bekijken de tekst en kijken naar de plaatjes en de kopjes.
- De leerlingen schrijven op wat nieuw voor hen was.

Tijdens
Leerkrachtactiviteiten:
De leerkracht kijkt samen met de kinderen naar het eerste tekstfragment en vraagt of de kinderen alles begrepen hebben. De leerkracht vertelt dat de leerlingen de rest van de tekst op dezelfde manier behandelen. Ondertussen loopt de leerkracht rond en begeleidt de kinderen met het lezen door onder andere vragen te stellen. De lerkracht laat de leerlingen de vragen beantwoorden die bij deze tekst horen.

Leerlingactiviteiten:
- De kinderen beantwoorden de vragen van de leerkrachten en stellen eventueel zelf vragen.
- De kinderen lezen de tekst schrijven op wat nieuw voor hun was en maken de vragen die bij deze tekst horen.

Na
Leerkrachtactiviteiten: De leerkracht bespreekt de tekst en de vragen met de kidneren. Ze laat de woorden klinken die in de tekst aan bod zijn gekomen. Ze vraagt wat nieuw was en wat de kinderen al wisten.

Leerlingactiviteiten:
- De kinderen luisteren naar de leerkracht, ze lezen voor wat ze genoteerd hebben bij de vragen en de kinderen beantwoorden de vragen van de leerkracht.

________________________________________________________________

Taal-zaakvakles: Het Romeinse Rijk
Materialen:
- tekenblaadjes
- kleurpotloden
- plaatjes van de woorden die in de vorige lessen zijn voorgekomen.

Les 3: Laten toepassen van het geleerde
Voor

Leerkrachtactiviteiten:
Terugblikken: De leerkracht kijkt terug op de vorige twee lessen. Ze laat de platen zien van de vorige lessen en laat de kinderen de platen benoemen en de vragen die ze daarover stelt beantwoorden.
Vooruitblikken: De leerkracht laat nogmaals op een plaat een legerkamp zien en laat het papier en de potloden zien die de kinderen gaan gebruiken.
Instrueren: De leerkracht vertelt dat de kinderen een legerkamp gaan tekenen. Dit legerkamp zullen ze voor de klas gaan presenteren. Hierbij moeten de woorden gebruikt worden die de kinderen tijdens de vorige lessen hebben gehoord en die veelvuldig aan bod zijn gekomen.

Leerlingactiviteiten:
- De leerlingen luisteren naar de leerkracht en de leerlingen beantwoorden de vragen.
- De leerlingen helpen met het uitdelen van de materialen.
- De leerlingen zitten in groepjes en verdelen de taken.

Tijdens
Leerkrachtactiviteiten:
Tijdens het tekenen van de kinderen loopt de leerkracht langs en stelt ze vragen aan de kinderen om de kinderen te stimuleren met elkaar te overleggen hoe ze hun legerkamp nu het beste kunnen maken. Hierbij laat de leerkracht de behandelde woorden gebruiken door de kinderen.

Leerlingactiviteiten:
- De leerlingen zijn het beste legerkamp aan het ontwerpen en bespreken met elkaar wat ze hiervoor moeten tekenen.
- De leerlingen zijn aan het tekenen.

Na
Leerkrachtactiviteiten:
In groepjes vertellen de kinderen aan de hand van hun tekening hoe zij hun legerkamp voor de Romeinen hebben gemaakt. De leerkracht stimuleert de kinderen de woorden te gebruiken die ze in deze lessen hebben geleerd. Er wordt uiteindelijk een legerkamp gekozen die de Romeinen het beste tegen de Germanen beschermen.

Leerlingactiviteiten:
- De kinderen luisteren naar elkaar of leggen voor de klas uit hoe hun ontworpen legerkamp in elkaar zit.
- De kinderen kiezen uiteindelijk het ontworpen legerkamp dat het beste de Romeinen tegen de Germanen zal beschermen.

___________________________________________________________________

Tijdens de stage:
Ik heb helaas maar één les kunnen geven van deze lessenserie en dat was de ervaringscontext aanbrengen. Mijn doel voor de kinderen was deze les dat de kinderen aan het eind van deze les bij de opdracht de plaatjes onder de goede kolom zouden leggen. Dit doel is voor het overgrote merendeel gehaald. De meeste kinderen hadden met hun groepje de goede plaatjes onder de juiste kolom neergelegd.
Het doel dat ik zelf had was tijdens deze eerste les het goed overbrengen van de woorden en vooral veel uit mezelf laten komen. Wat mij betreft heb ik mijn doel wel gehaald. Ik liet veel uit mezelf komen, maar ik merkte toch dat ik de kinderen sneller het woord wilde geven. Dat ik de kinderen wilden laten praten en hen de woorden wilde laten uitleggen. Dit moet je alleen niet doen tijdens een eerste les op basis van het win win model.

Na de stage:
Om een reflectie op de lessenserie te geven, gaat dus lastig, omdat ik maar een les heb gegeven. Wat ik wel denk is dat als ik de hele lessenserie had gegeven, dat de kinderen aan het eind van deze lessen de woorden hadden kunnen dromen. De doelen die ik had opgesteld voor deze hele lessenserie, waren:
- De kinderen begrijpen de woorden Germanen, Romeinse Rijk, Romeinse limes en legerkampen.
- De kinderen kunnen met begrip de tekst lezen.
Als het rooster mij het had toegelaten en ik alledrie de lessen had kunnen geven, denk ik dat de kinderen deze doelen wel bereikt hadden.

Mijn mening over het winwin model is voor het grootste deel gelijk gebleven. Ik denk dat het winwin model een effectieve manier is om de kinderen de woorden bij te brengen, maar dat je hier in de praktijk te weinig tijd voor hebt. Waar ik wel op moet terugkomen is dat ik dacht dat de kinderen zich zouden irriteren, als ze voor de derde keer met de woorden bezig zouden zijn. Na het ontwerpen van deze lessenserie denk ik niet dat de kinderen zich zullen irriteren. Doordat de kinderen iedere les iets anders met de te leren woorden doen en niet alleen naar de juf hoeven te luisteren, denk ik dat de kinderen zich niet snel zullen irriteren, maar het juist wel leuk zullen vinden. Zeker als ze na de tweede les de tekst hebben gelezen en dit beter hebben begrepen, omdat ze deze woorden in een eerdere les al zijn tegengekomen.

Omdat ik maar één les van deze lessenserie heb gegeven, vind ik mijzelf nog niet competent genoeg om de didactiek van de woordenschatontwikkeling toe te passen in verschillende lessituaties en vakken. Om mij competent te voelen zal ik meer lessen moeten geven op basis van het win win model. Hiervoor zal dus in mijn ogen tijd in het rooster voor vrij gemaakt moeten worden. Zoals gezegd het is enorm tijdrovend, maar ik denk dat de kinderen hier zoveel meer aan hebben. Dit is dus iets om in mijn achterhoofd te houden.

maandag 23 januari 2012

Toepassingskaart 9 - Rekenen Vanuit Een Ander Perspectief

Onderdeel A.
De methode die in mijn klas wordt gebruikt, is Wis en Reken.




















1. In de illustraties is aan de ene kant wel diversiteit te zijn, aan de andere kant ook niet. Op de kaft van de boeken staat al een gekleurd kind. Wanneer je naar de afbeeldingen in de boeken kijkt waar kinderen op staan, zie je dat er wel is nagedacht over de verschillende culturen in Nederland. Op de foto’s zie je zowel blanke kinderen als gekleurde kinderen. Wanneer het echter om het rekenen met eten gaat: bijvoorbeeld hoeveel koeken zitten er in dit pak?, dan zie je dat het wel georiënteerd is op Nederland. De koeken zijn namelijk stroopwafels en er wordt gerekend met pindakaas, hagelslag en kaas. Ook op de allereerste bladzijde van het boek zie je een foto van alleen maar Nederlandse vlaggen. Deze bladzijde ging erom dat er werd gekeken naar hoe verder weg een vlag was, des te kleiner de vlag op de tekening was. Dit hadden dus net zo goed vlaggen van verschillende landen kunnen zijn.
2. Ja, in de boeken zijn gekleurde mensen samen met witte mensen in de afbeeldingen te zien.
3. De contexten zijn herkenbaar voor kinderen uit een andere cultuur. In de contexten van deze sommen worden naar mijn mening geen contexten gebruikt met een culturele inslag. Ieder kind knikkert weleens en ieder kind koopt weleens (met zijn ouders) melk of iets anders uit de supermarkt. Echt sprake van een context die kinderen uit een andere cultuur niet begrijpen, is er eigenlijk niet in deze methode.
4. Na het kijken van de lessen over tijd ben ik er achter gekomen dat er hierbij wordt gekeken naar de westerse cultuur. Bij sommen met een kalender wordt de westerse kalender gebruikt met de westerse indeling.
5. Nee, er worden geen feestdagen genoemd in de rekenboeken van groep 5. Hier zit dus ook geen culturele inslag in.

Onderdeel B.
De context die ik heb gevonden en heb geanalyseerd is de volgende contextsom voor groep 5.

De wolkentoren is 1320 meter hoog. De zonnetoren is 1280 meter hoog. Welk van deze torens is hoger ? Hoeveel hoger ? De ............................ is ............................ meter hoger.

Wat aan deze redactiesom lastig is, is ten eerste het begrip ‘hoog’. Dit kan lastig zijn voor taalzwakke kinderen. Verder kunnen de namen van de torens ook voor verwarring zorgen. Ten slotte denk ik dat de zin ‘welk van deze torens’ en ‘hoeveel hoger’ lastig kunnen zijn om te begrijpen. Ik zou deze context als volgt veranderen, zodat het begrijpelijk wordt voor alle kinderen.

Voordat ik met de kinderen aan de slag zou gaan met deze contextsom zou ik het eerst met de kinderen over hun eigen lengte hebben. Ik zou dus vragen stellen als: hoe lang ben jij? Wie van de twee is langer? Hierbij let ik er dan op dat de kinderen de begrippen lang en langer gebruiken wat ook van toepassing is bij de som die ze gaan maken. Vervolgens kijken we gezamenlijk naar de som.

In Nederland zijn twee hele lange torens. Toren 1 is 1320 meter lang en toren 2 is 1280 meter lang. Welke toren is het langst en hoeveel langer is deze toren dan?

Ik zou de twee torens op het bord tekenen en de kinderen dan vervolgens de som klassikaal laten oplossen waarbij de kinderen moeten beargumenteren waarom ze hebben gekozen voor een bepaalde toren en hoe ze de som dus eigenlijk hebben uitgerekend. Als dit helemaal besproken is, gaan de kinderen vervolgens in tweetallen verder met de rest van de sommen.

Onderdeel C.
Bij de les die ik heb gekozen moeten de kinderen topscoresommen maken. Dit zijn sommen waarbij de kinderen een soort van piramide moeten invullen.
- Deze sommen zijn sommen die door elk kind met elke cultuur gemaakt kunnen worden. Er is geen sprake van een culturele inslag.
- Het materiaal en de lesinhoud die ik heb gebruikt deze les, komen allemaal uit de methode wis en reken. De auteurs van deze methode hebben aan de namen te zien allemaal een westerse achtergrond. Dit zal dus ook een invloed hebben op het materiaal en de lesinhoud van deze methode en deze les.
- Om eerlijk te zijn pak ik mijn lessen niet multicultureel aan. Ik stond dit semester in een klas waarbij niet echt sprake is van multiculturaliteit. Wanneer ik wel in een klas zo staan met veel verschillende culturen in de klas, zou ik mijn lessen multicultureel aanpakken door bij de rekenlessen gebruik te maken van multiculturele feestdagen die er dan eventueel zijn.

Onderdeel D.
De kinderen die ik rekenzwak vind zijn A. (M), A. (V), Y. en S. Waar deze kinderen nu vooral moeite mee hebben zijn sommen met tijd en verhaaltjessommen. Bij de sommen met tijd zijn de kinderen nu bezig om de digitale tijd op te schrijven. Hier is dus niet echt sprake van een taalprobleem. Dit vinden de kinderen gewoon lastig. Bij de verhaaltjessommen hebben vooral A. (V) en Y. een probleem. Ze vinden het lastig om uit het verhaal de goede som te halen. Dit heeft wel te maken met een taalprobleem.

Themabijeenkomst 5 - Reflectie

Met deze reflectie kijk ik terug op dit thema aan de hand van de vragen hieronder.

Welke leerbehoeften/leerdoelen had je bij aanvang van deze periode?
Terugkijkend naar mijn reflectie van themabijeenkomst 1 had ik de volgende leerbehoeften en leerdoelen:

- Hoe kan ik op een pedagogisch verantwoorde manier omgaan met de verschillende culturen in mijn klas?
- Hoe kan ik deze verschillende culturen integreren in mijn lessen?
- Op welke manier kan ik in mijn lessen meer aandacht besteden aan de talenten en kansen van de kinderen in mijn klas?

- Aan het eind van deze periode wil ik lessen hebben gegeven waarbij ik heb gelet op de verschillen op cultureel en sociaal-economisch gebied in mijn klas.
- Aan het eind van deze periode heb ik meer gelet op de talenten en mogelijkheden van de kinderen in mijn klas en ben ik hier ook bewuster mee omgegaan in mijn lessen.
- Aan het eind van deze periode ben ik mij meer bewust geworden van eventuele vooroordelen en misconcepties die ik heb.
- Aan het eind van deze periode heb ik meer mijn mening weten te onderbouwen ten aanzien van verschillende maatschappelijke onderwerpen.
- Aan het eind van deze periode weet ik beter hoe ik een gesprek aan kan gaan met ouders die een andere culturele achtergrond hebben dan ik.

Zijn jouw vragen/verwachtingen met betrekking tot het thema 'Kleur' beantwoord?
De vragen die ik had, zijn tijdens dit thema beantwoord. Ik wilde vooral heel graag weten hoe ik een goed gesprek aan kan gaan met ouders met een andere culturele achtergrond dan ik. Dit omdat ik hier in mijn stage nog nooit mee te maken heb gehad. Een hele les ging hierover, dus deze vraag is zeker beantwoord. Verder weet ik nu meer over de verschillende culturen in Nederland en heb ik hier dus ook beter mee om kunnen gaan in mijn stage.

Hoe kijk je terug op het thema en meer specifiek: jouw eigen leerproces binnen het thema?
Toen we met het vorige thema hersenen in actie bezig waren, wisten we natuurlijk al dat dit thema zou komen en ik keek hier heel erg naar uit. Dit thema heeft mij zeker niet teleurgesteld en heeft voor het overgrote merendeel al mijn vragen beantwoord. Dit thema heeft bovendien mijn interesse nog meer gewekt om meer te weten te komen over de verschillende culturen in Nederland. Ik heb ook meer over mezelf geleerd tijdens dit thema. Ik dacht dat ik van mezelf al redelijk open stond voor andere culturen en dit thema heeft dit bevestigd.

zondag 22 januari 2012

Toepassingskaart 6 - Interculturele Communicatie

In themabijeenkomst 4 'interculturele communicatie' moesten we naar aanleiding van het zien van een filmpje adviezen opstellen waarvan wij dachten dat dit handig is bij een goed intercultureel gesprek. De adviezen hieronder zijn de adviezen die wij handig vonden bij een goed intercultureel gesprek.

- Op het niveau van de ouders blijven praten
- Ouders op hun gemak stellen en welkom heten
- Verhaal van de ouders aanhoren, niet er doorheen praten
- Open houding
- Werk van het kind erbij pakken
- Luisteren, Samenvatten, Doorvragen
- Bij het weggaan van de ouders achter het bureau vandaan komen
- Bij een moeilijk gesprek, het gesprek eerst laten bezinken
- Van de leerling blijven uitgaan
- Inleven in de ander en alles ook serieus nemen wat er gezegd wordt
- Iets met de klachten doen en deze ook opschrijven
- Zoveel mogelijk uit de ouders laten komen

Met deze adviezen in ons achterhoofd is er een afspraak gemaakt met de mentor van Jennifer Stephanie, waar we deze adviezen aan hebben voorgelegd. Het volgende is uit dit gesprek gekomen.

Op het niveau van de ouders praten heeft volgens Stephanie heel erg te maken met het aanpassen van je taalgebruik wat ook gebeurd tijdens oudergesprekken. De ouders welkom heten en een open houding tijdens het gesprek hebben is erg belangrijk en dit zijn dan ook goede adviezen, die ook in de praktijk van toepassing zijn. Dit is vanzelfsprekend. Hoewel we in de les tijdens een voorbeeld van een gesprek zagen dat thee aanbieden altijd handig is om het ijs te breken, wordt dit bij een 10 minuten gesprek op de Buutplaats niet gedaan. Dit is in de praktijk dus niet reeël, omdat het gesprek dan zowiezo langer zal duren dan 10 minuten. Het gesprek moet volgens Stephanie van twee kanten komen en het is handig als er niet door elkaar gepraat wordt. Niet alleen de leerkracht die door de ouders praat, maar zeker ook de ouders die door de leerkracht praten. Helaas gebeurt dit laatste nog weleens. Toch is ook dit advies reeël in de praktijk en dit komt dan ook in de praktijk voor. Het werk van het kind erbij pakken tijdens een gesprek hangt van de aard van het gesprek af. Dit is dus niet altijd van belang. Volgens Stephanie gebeurt dit vooral als het niet goed gaat met de leerling, dan is het gemaakte werk een bewijs, maar het kan er ook zeker bijgepakt worden als het wel goed gaat met de leerling. Meelopen naar de deur geeft volgens Stephanie echt het einde van het gesprek aan, het gesprek stopt bij de deur. Dit is vooral belangrijk na een slecht gesprek. Tijdens een gesprek wordt altijd uitgegaan van de ouders. Ook dit is dus een advies die wij hebben opgeschreven die ook in de praktijk is terug te vinden. Klachten van ouders worden opgeschreven. Dit is dus nogmaals een advies die wij in de les hebben opgesteld die ook in de praktijk voorkomt. Het is zowiezo handig om van het gesprek notities te maken. Het is wel noodzakelijk om van tevoren aan de ouders duidelijk te maken dat er wordt genotuleerd en wat er wordt opgeschreven. Dit is dus een aanvulling op ons advies.

Na de adviezen te hebben besproken, kwam Stephanie zelf ook nog met adviezen die handig zijn bij het voeren van een goed intercultureel gesprek. Als je volgens Stephanie van tevoren weet dat je een moeilijk gesprek moet gaan voeren doe je dit niet alleen. Als je halverwege het gesprek merkt dat het een moeilijk gesprek is waar nog meer over gepraat moet worden, dan wordt er een nieuwe afspraak gemaakt. De ouders krijgen dan wel een opdracht mee voor het volgende gesprek, dat dit gesprek niet weer op hetzelfde punt staakt en dat je dus niet verder komt in het gesprek en blijft hangen op hetzelfde punt.

vrijdag 13 januari 2012

Toepassingskaart 7 - De wereld door de ogen van...

- Wat komt hij tegen in onze basisschool, thuis, de wijk enzovoort?
Volgens van Keulen, van Beurden en Pels (2010) hebben Turkse ouders voornamelijk contact met landgenoten. Dit kan bijvoorbeeld familie in Nederland zijn waar deze ouders intensief contact mee hebben. Turkse kinderen zullen dus thuis en in hun wijk voornamelijk in contact komen met Turkse mensen.
Op onze basisschool komen de kinderen ook in contact met andere culturen.

- Hoe gaat hij/zij om met verschillen in opvoeding?
Van Keulen et al. (2010) stellen dat de opvoedingstaken in een Turks gezin gelijkwaardig zijn verdeeld. Traditionele vrouwelijke taken worden nog steeds door de vrouwen gedaan, traditionele mannen taken worden steeds meer door beide ouders gedaan. Volgens van Keulen et al. (2010) wordt er thuis in Turkse gezinnen heel veel waarde gehecht aan prestatie in een vorm van het behalen van een goede opleiding en een goede baan. Daarnaast zijn conformistische doelen ook erg belangrijk. Hieronder valt respect voor ouders en ouderen, goede manieren, gehoorzaamheid, eerlijk en betrouwbaar zijn en goed met anderen kunnen omgaan. Thuis wordt minder waarde gehecht aan autonomie.
Op school wordt er juist wel veel aandacht besteed aan autonomie, zelfstandigheid. Volgens van Keulen et al. (2010) staan een aantal ouders hier afwijzend tegenover. De ouders zien de school naast een plek om te leren ook als een plek waar kinderen sociale vaardigheden en discipline wordt bij gebracht. Van Keulen et al. (2010) stellen dat Turkse ouders hiervoor meer verantwoordelijkheid leggen bij de school dan Nederlandse ouders.

- Welke kansen heeft hij/zij?
Volgens van Keulen et al. (2010) zien de meeste Turkse ouders de toekomst van de kinderen met zorg tegemoet. Ze vragen zich af, of hun eigen kind in het onderwijs en later tijdens het werken, wel dezelfde kansen krijgt als een Nederlands kind. Ze zijn bang dat hun kind afdwaalt van het rechte pad. Deze kinderen lijken bovendien volgens van Keulen et al. (2010) meer onderwijs- en gedragsproblemen te hebben. Dit heeft onder andere te maken met stressvolle situaties deze kinderen opgroeien. Veel kinderen groeien op in een gezin waar de ouders afhankelijk zijn van een uitkering. Er is dus veel sprake van geldzorgen.
Het kind krijgt op de basisschool dezelfde kansen en mogelijkheden als een Nederlands kind. Hij/zij wordt bij alles betrokken in de lessen, op dezelfde manier als een Nederlands kind.

- Welke vormen van beeldvorming(bijvoorbeeld vooroordelen met betrekking tot bevolkingsgroep) kan hij/zij tegen komen?
Volgens van Keulen et al. (2010) bleek uit het onderzoek wat is uitgevoerd, dat een minderheid van de ouders heeft gezegd dat hun kinderen in het afgelopen jaar zijn gediscrimineerd. Wanneer er wel gezegd is, dat hun kinderen gediscrimineerd zijn, gaat het hierbij dan voornamelijk om pesten en schelden door klasgenootjes, maar ook discriminatie door leerkrachten komt voor. Ouders leren hun kinderen hiermee omgaan, door van zich af te bijten als het om een leeftijdsgenoot gaat. Zodra het om een leerkracht gaat die discrimineert adviseren de ouders volgens van Keulen et al. (2010) dat de kinderen hun respect moeten behouden ten opzichte van hun docent. De ouders lossen het dan liever zelf op door contact op te nemen met de school.
Wij gaan er met alle kinderen van de klas over praten, hoe je op een goeie manier met elkaar omgaat. Daar maken wij ook afspraken over met de hele klas. Wij zullen als docent nooit discrimineren.

- Hoe kijkt het kind aan tegen zijn/haar cultuur en/of levensbeschouwing?
Van Keulen et al. (2010) zeggen dat jonge kinderen veel worden geknuffeld en vastgehouden door hun ouders. Complimentjes worden gegeven en straffen komt niet veel voor. De meest voorkomende straf is kinderen naar een andere ruimte sturen. Fysieke straffen komen weinig voor. Volgens van Keulen et al. (2010) vinden de ouders het belangrijk dat hun kinderen Turks blijven. Dat houdt in dat ze goed Turks kunnen spreken en gehecht blijven aan Turkije. Ook respect hebben voor jezelf als Turk is hierbij belangrijk. Het Islamitisch geloof is belangrijk, vasten tijdens de ramadan komt voor. Bijna de helft van de kinderen van gezinnen die zijn onderzocht zijn naar een Koran school gegaan.
Wij gaan met het geloof van het kind met respect om en stellen als daar de mogelijkheid voor is belangstellende vragen over. We gaan met het kind soms dieper in op zijn/haar geloof, door er een gesprek mee te voeren.

- Welke invloed heeft cultuur en/of levensbeschouwing op de ontwikkeling van onze leerling?
De ouders zijn erg prestatiegericht, dus de leerling zal zich daar iets van aantrekken, want ook respect naar ouders en ouderen zit daarbij. Dit komt ook door de trotsheid die zij hebben in hun geloof. Het kind zal minder zelfstandig zijn als een Nederlands kind, omdat hier veel minder aan dacht aan wordt besteed. Volgens van Keulen et al. (2010) wordt het hebben van verkering bij zowel jongens als meisjes afgekeurd. Op sociaal-emotioneel gebied is het mogelijk dat de kinderen daardoor een achterstand hebben.
Wij pleiten ervoor om jongens en meisjes met elkaar gemengd te laten leren en spelen, dit komen ze in het dagelijks leven ook tegen.

- Hoe beleeft het kind zijn/haar omgeving?
Dit kind heeft respect tegenover ouders en ouderen. Het kind vindt prestatie op school en naar de moskee gaan om daar te leren over de Islam belangrijk. Het kind kan het lastig vinden om zelfstandig om iets in zijn omgeving te doen, omdat dit wordt afgekeurd in zijn/haar cultuur. Het kind vind het moeilijk om met een kind van het andere geslacht om te gaan, omdat dit ook afgekeurd wordt.
Wij proberen het kind te begeleiden in de dingen die hij moeilijk vind, en daarnaast willen wij hem/haar helpen bij het ontwikkelen van de talenten van het kind.



Hieronder nog twee punten die hierboven niet meer tussen paste, maar die we wel bij deze toepassingskaart wilden vermelden.

De rol van de ouders:
We willen de ouders meer betrekken in de klas, zodat ze betrokken zijn bij de prestatie en ontwikkeling van het kind, dat vinden zij belangrijk. Ze zien dan ook hoe het er in de klas aan toe gaat.

Wat hebben wij nodig om ons werk goed te doen?:
Dat de school of de overheid een methode ontwikkeld die ons helpt in het begeleiden van kinderen met een andere cultuur, zodat zij elkaar leren te begrijpen.

Literatuur:

Van Keulen, A., van Beurden, A. & Pels, T. (2010). Van alles wat meenemen. Diversiteit in opvoedingsstijlen in Nederland. Bussum: Uitgeverij Coutinho. 3e druk